Gisteren zaten we met een stevige delegatie van werkgroep Eemerwaard Natuurlijk in Het Brandpunt in Hoogland. Een gezellige, informatieve avond over water en de Eem. Met een quiz, vragen uit de zaal, een presentatie vanuit de gemeente Amersfoort en vooral het verhaal van Li An Phoa ( Drinkbare rivieren )
Maar van de hele avond bleef eigenlijk één plaatje in mijn hoofd hangen.
We delen deze rivier met heel veel andere dieren.

En ineens dacht ik:
Waarom zijn wij eigenlijk de enige diersoort langs de Eem die niet uit de Eem durft te drinken?
Een hond drinkt gerust uit een sloot of uit een zijtak van de Eem. Vogels drinken eruit. Allerlei dieren zijn afhankelijk van dat water.
Wij niet, wij draaien de kraan open.
Li An vertelde hoe zij tijdens een reis in Canada had gezien dat een rivier gewoon drinkbaar kon zijn. Drie jaar later werd er een dam aangelegd en was diezelfde rivier niet meer drinkbaar.
Dat was voor haar het moment waarop zij besloot zich in te zetten voor drinkbare rivieren.
En eerlijk gezegd zette dat mij aan het denken.
Want wat was er gebeurd als wij die afslag nooit hadden genomen? Als we gewoon waren blijven doen wat mensen eeuwenlang deden: water uit de rivier halen en drinken?
Als het Eemwater ineens vreemd smaakte, zouden we waarschijnlijk stroomopwaarts gaan kijken. Wat is er aan de hand? Ligt er een dood dier in het water? Loost er een bedrijf iets? Is er ergens iets veranderd?
Nu kan er van alles in het water gebeuren en wij merken het niet.
Wij vertrouwen erop dat het ergens verderop wel wordt opgelost.
We meten tegenwoordig veel. PFAS. Medicijnresten. Blauwalgen. Bacteriën. Chemische stoffen.
Maar meten is één ding.
Wat doen we met wat we meten?
En meten we eigenlijk wel overal waar het nodig is?
Zichtbare vervuiling is misschien nog het eenvoudigst. Een blikje op straat. Een plastic zak in de berm.
Niemand gaat thuis met een zak afval de stad in om die daar vervolgens weg te gooien. Die rommel koop je meestal ergens. In een winkel, bij een snackbar, een tankstation of een supermarkt.
En uiteindelijk komt een deel ervan in het water terecht.
Een flesje waait door de straat. Belandt in een sloot. En vanaf dat moment begint de reis.
Via sloten en beken naar de Eem.
Van de Eem naar het IJsselmeer.
En uiteindelijk richting Noordzee.
Onderweg wordt het plastic kleiner en kleiner. Tot er uiteindelijk microplastics overblijven.
Dan mag iemand anders het weer proberen op te ruimen.
Waarom wachten tot een blikje in de Eem ligt?
Pak het op voordat het daar terechtkomt.
Dat klinkt misschien klein en onbelangrijk. Maar de Eem wordt niet in één keer vervuild. Het gebeurt door duizenden kleine dingen.
En natuurlijk kunnen we naar de overheid wijzen. Naar bedrijven. Naar vergunningen. Naar ministers.
Maar als je met één vinger naar een ander wijst, wijzen er drie terug naar jezelf.
Iedereen kan iets doen.
Praten.
Vragen stellen.
Meten.
Zwerfvuil oprapen.
Mensen aanspreken.
En vooral niet accepteren dat een vieze rivier nu eenmaal normaal zou zijn.
Want misschien is dat wel de grootste denkfout die we met elkaar hebben gemaakt.
Dat we zijn gaan denken dat een rivier vanzelfsprekend niet drinkbaar is.
Iedereen die gisteren in de zaal zat, had iets met de Eem. Li An noemt dat een rivierfamilie.
Misschien zijn wij dus gewoon een Eemfamilie.
En familie let een beetje op elkaar.
Maar ook op de rivier.
Die ene vraag blijft bij mij in ieder geval nog wel even hangen:
Waarom zijn wij eigenlijk de enige dieren langs de Eem die niet uit de Eem durven te drinken?
meer verdieping:
Bron van Leven
Ecologe Li An Phoa loopt een voettocht van 1000 kilometer van de bron van de Maas in Frankrijk naar … : https://npo.nl/start/video/bron-van-leven
