Een emmer water als databank van de Eemerwaard

Gistermorgen, even na tienen, stond er een opmerkelijk gezelschap langs de Praamgracht. Kinderen van een jaar of acht, volwassenen en mensen van ruim zeventig jaar oud. Allemaal met dezelfde opdracht: watermonsters nemen.

Een simpel klusje, zo lijkt het. Een monster nemen, filteren en opsturen naar het laboratorium. Maar dat kleine flesje water kan een verrassende hoeveelheid informatie bevatten over het leven in de Eemerwaard.

Onder leiding van Thon en Adriaan zijn we dit jaar begonnen aan een nieuwe fase van het onderzoek. Al bijna vijf jaar wordt de waterkwaliteit onderzocht. Tot nu toe vooral op de klassieke manier: met een schepnet kijken welke waterdiertjes er daadwerkelijk in het water zitten.

Dat levert veel informatie op.

Een watervlo of rattenstaartlarve is bijvoorbeeld een echte overlever. Die kan onder slechte omstandigheden blijven leven. Waterjuffer- en libellenlarven zijn veel kritischer. Die hebben schoon en gezond water nodig. Door te kijken welke soorten er voorkomen, kun je dus iets zeggen over de kwaliteit van het water.

Maar één meting zegt eigenlijk niet zoveel. Het wordt interessant als je iedere maand opnieuw kijkt.

Dan zie je veranderingen.

De riooloverstort

Een belangrijk onderdeel van het onderzoek is de riooloverstort bij de Praamgracht. We meten het water vóór en na de overstort en proberen zo te achterhalen wat daar in de praktijk gebeurt.

Dat onderzoek heeft de afgelopen jaren ook geleid tot gesprekken met de rioolbeheerder. De meetgegevens leveren namelijk vragen op. Hoe werkt het rioolsysteem? Wat gebeurt er tijdens een overstort? Hoe zijn de pompen afgesteld? En kan dat beter?

Daar zit een belangrijke kracht van burgeronderzoek.

Je kijkt niet alleen naar een getal of een grafiek, maar gaat vervolgens praten met de mensen die verantwoordelijk zijn voor het systeem. Soms blijkt dat een technische verbetering helemaal niet ingewikkeld is. Een pomp kan bijvoorbeeld beter worden afgesteld.

Alleen zijn er in de praktijk natuurlijk voortdurend andere werkzaamheden en problemen. Zonder iemand die blijft meten en vragen stellen, kan zo’n verbetering gemakkelijk weer uit beeld verdwijnen.

Meten is daarmee niet alleen een manier om de natuur te onderzoeken. Het kan ook helpen om de praktijk te verbeteren.

Dit jaar zoeken we naar DNA

Dit jaar zetten we een nieuwe stap met environmental DNA, oftewel eDNA.

Daarvoor hoeven we een dier niet meer te zien of te vangen.

Een vis die door het water zwemt, laat DNA achter. Een kikker eveneens. En zelfs een zoogdier dat aan de waterkant uit de Praamgracht drinkt, kan genetisch materiaal achterlaten.

Dat DNA komt uiteindelijk in het water terecht en kan met een filter uit een monster worden gehaald.

Het lijkt daarmee een beetje op forensisch onderzoek: je hoeft het dier niet te hebben gezien om toch een spoor te vinden.

Maar het water bevat ontzettend veel DNA. Algen, bacteriën, virussen en allerlei andere organismen leveren samen een enorme hoeveelheid genetische informatie op. Daarom moeten we heel gericht zoeken.

Voor deze eerste analyse richten we ons op gewervelde dieren. Daarmee hopen we onder andere vissen, amfibieën en zoogdieren in beeld te krijgen.

Daarbij is één belangrijke nuance nodig: we tellen niet letterlijk het aantal dieren. De analyse laat vooral zien hoeveel DNA van een bepaalde soort aanwezig is. We kunnen dus bijvoorbeeld zeggen dat we veel DNA van een bepaalde vissoort vinden, minder van een andere soort en nauwelijks iets van een derde soort.

Juist door zulke metingen steeds op dezelfde plekken te herhalen, kan dat interessant worden.

Van Praamgracht tot Eem

De Eemerwaard is ons onderzoeksgebied. De eerste watermonsters nemen we op twee locaties: bij de Praamgracht aan de zuidkant van de Eemerwaard en bij de rivier de Eem aan de noordoostkant.

Door beide locaties te volgen, kunnen we verschillen in de tijd gaan zien. En misschien ontdekken we soorten die we met onze traditionele methode nauwelijks of helemaal niet tegenkomen.

Maar het onderzoek stopt niet bij het water.

In de natuurpatches die nog in de Eemerwaard aanwezig zijn, nemen we ook grondmonsters. De Eemerwaard maakt tegenwoordig deel uit van de Utrechtse Heuvelrug. Via Naturalis en het programma eDENTITY onderzoeken we wat er met behulp van DNA uit die bodemmonsters te halen valt.

Ook daar kan een klein monster een groot verhaal vertellen.

In de bodem zitten talloze organismen die je met het blote oog nauwelijks ziet. Kleine bodemdieren, insecten en larven laten allemaal hun sporen achter. Door DNA-onderzoek kunnen we mogelijk een veel completer beeld krijgen van wat er in deze kleine natuurgebieden leeft.

Eerst leren, dan grote conclusies

Voor ons is eDNA een nieuwe techniek. En daarom willen we er ook niet te gemakkelijk grote conclusies aan verbinden.

We hebben een cursus georganiseerd om zelf te leren hoe deze methode werkt. De bijdrage van de deelnemers was precies voldoende om de eerste analyse te betalen.

Eigenlijk financieren we daarmee ons eigen leerproces.

Dat past goed bij wat we met burgerwetenschap willen bereiken. Niet doen alsof we een professioneel laboratorium zijn, maar wel serieus meten. Niet meteen roepen wat iets betekent, maar eerst begrijpen wat we daadwerkelijk hebben gemeten.

De eerste monsters zijn inmiddels genomen.

Nu begint het interessante gedeelte: wachten op de resultaten.

Welke vissen komen we tegen? Zitten er amfibieën in de monsters? Welke zoogdieren maken gebruik van het water? En wat vertelt de bodem ons over de natuurpatches in de Eemerwaard?

Misschien bevestigen de resultaten wat we al dachten.

Misschien komen we soorten tegen die we helemaal niet hadden verwacht.

En misschien blijkt dat zo’n klein filtertje met een beetje water of grond veel meer informatie bevat dan je ooit zou vermoeden.

Dat is uiteindelijk waarom we dit doen.

Niet alleen om te meten wat er vandaag in de Eemerwaard zit, maar om over een paar jaar terug te kunnen kijken en te zien wat er veranderd is.

Want goede natuurkennis begint vaak heel eenvoudig:

goed kijken, blijven meten en vooral niet te snel denken dat je het antwoord al weet.

Adriaan