wanneer zie je het effect van een warmtepomp?

Meten is weten: wanneer zie je het effect van een warmtepomp?

Zoals jullie inmiddels weten, maken we iedere maand een overzicht van ons energieverbruik. We kijken naar elektriciteit, zonnepanelen, aardgas en water. Alles zetten we uiteindelijk om naar één eenheid: kilowattuur, oftewel kWh.

Dat doen we om appels met appels te kunnen vergelijken.

Want een huis met een cv-ketel gebruikt aardgas en een huis met een warmtepomp gebruikt vooral elektriciteit. Als je die twee zomaar naast elkaar zet, krijg je een ingewikkeld verhaal. Daarom rekenen we het gasgebruik om naar de hoeveelheid energie die daarin zit.

Zo kunnen we gewoon vragen:

Hoeveel energie heeft dit huis deze maand werkelijk gebruikt?

En dat levert soms verrassende gesprekken op.

“Ik heb een warmtepomp, maar ik zie het nog niet!”

Een vraag die ik de afgelopen tijd regelmatig krijg, is ongeveer deze:

“Adriaan, ik heb mijn huis verduurzaamd. Ik heb een warmtepomp laten installeren. Maar in jullie overzicht sta ik nog steeds behoorlijk rechts. Ik ben wel iets opgeschoven richting nul, maar wanneer zie ik nou echt het verschil?”

Het antwoord is eigenlijk heel simpel.

Je ziet de winst van een warmtepomp vooral als je hem nodig hebt.

En daar zit in de zomer nu juist het probleem.

We hebben de afgelopen maanden nauwelijks hoeven te verwarmen. De grootste taak van de warmtepomp — je huis warm houden — heeft simpelweg nauwelijks plaatsgevonden.

Natuurlijk maakt de warmtepomp wel warm water. En ook dat doet hij behoorlijk efficiënt. Zeker wanneer de buitentemperatuur hoog is, hoeft de warmtepomp maar relatief weinig elektriciteit te gebruiken om warmte uit de buitenlucht te halen.

Maar de echte proef komt pas wanneer de temperatuur buiten naar beneden gaat.

De winter is het moment waarop de warmtepomp moet gaan werken.

Dan gaan we zien hoeveel aardgas er daadwerkelijk verdwijnt en hoeveel elektriciteit daarvoor in de plaats komt.

En juist daarom is het zo interessant om niet naar één maand te kijken, maar naar een heel jaar.

En dan hebben we nog de zonnepanelen

In onze grafiek zie je ook huizen die behoorlijk ver richting nul gaan en soms zelfs onder nul uitkomen.

Dat zijn vaak de huizen met veel zonnepanelen.

Zij produceren op zonnige dagen meer elektriciteit dan ze op dat moment zelf gebruiken. Die elektriciteit gaat het elektriciteitsnet op en kan ergens anders worden gebruikt.

Dat is een belangrijk principe van ons elektriciteitsnet.

Je kunt het zien als een enorme gezamenlijke machine die dag en nacht blijft draaien.

Op het Europese elektriciteitsnet wordt productie voortdurend afgestemd op verbruik. De frequentie is daarbij ongeveer 50 hertz. Als ergens veel elektriciteit wordt geproduceerd, kan die energie door het gekoppelde netwerk worden gebruikt op een andere plaats waar op dat moment juist vraag naar elektriciteit is.

Daarom vind ik zonnepanelen zo interessant.

Je hoeft niet alle elektriciteit die je opwekt zelf te gebruiken om toch een bijdrage te leveren.

Als mijn zonnepanelen op een zonnige middag veel meer produceren dan mijn huis nodig heeft, komt die elektriciteit beschikbaar voor anderen.

Misschien staat er op datzelfde moment ergens een elektrische auto te laden.

Of een warmtepomp te draaien.

Of een fabriek die elektriciteit nodig heeft.

Of een trein die onderweg is.

Het elektriciteitsnet verbindt al die gebruikers en producenten met elkaar.

En dat maakt het ook zo’n fascinerend systeem.

Kleine installaties, grote verandering

Daarmee komen we bij een ontwikkeling die ik misschien nog wel interessanter vind.

We praten vaak over enorme energiecentrales en grote energieprojecten. Nieuwe kerncentrales, windparken, hoogspanningsverbindingen en grote centrales.

Maar ondertussen gebeurt er iets heel anders onder onze neus.

Miljoenen huishoudens krijgen zonnepanelen.

Steeds meer huizen krijgen een warmtepomp.

Thuisbatterijen verschijnen in steeds meer woningen.

Elektrische auto’s worden mobiele energiegebruikers.

Ieder systeem afzonderlijk stelt misschien niet zoveel voor.

Maar tel ze allemaal bij elkaar op en je krijgt een enorme hoeveelheid productie, verbruik, opslag en flexibiliteit.

Misschien wordt dat wel een belangrijk onderdeel van ons toekomstige energiesysteem.

Niet alleen een paar enorme centrales die energie produceren voor iedereen, maar ook miljoenen kleine energie-installaties die samen één groot systeem vormen.

En daarom blijven wij meten.

Niet om te bewijzen dat een warmtepomp altijd beter is.

Niet om te bewijzen dat zonnepanelen alles oplossen.

Maar om gewoon te kijken wat er werkelijk gebeurt.

Want uiteindelijk kun je heel veel vertellen over energie.

Je kunt voorspellingen maken, modellen bouwen en prachtige verhalen vertellen.

Maar er is één ding dat uiteindelijk veel interessanter is:

de meterstand.

Elke maand opnieuw.

Meten is weten.